Navigatie overslaan
Vrijwilligerspunt Home
  • Alkmaar
  • Voor bedrijven
  • Voor jongeren
Account aanmakenLog in

Contact

  • Maelsonstraat 12, 1624 NP Hoorn, Nederland
  • [email protected]
  • 0229-216499, WhatsApp: 06-10533987

Vrijwilligerspunt

  • Vacaturebank
  • Hulp Dichtbij
  • Trainingen & Workshops
  • Taalhuis
  • Voor jongeren
  • ANBI status

Doe mee

  • Activiteiten
  • Zoek Organisaties
  • Organisatie toevoegen
  • Account aanmaken
  • Log in
  • Help
  • Content policy
  • Privacyverklaring
  • Algemene Voorwaarden
  • Toegankelijkheidsverklaring
  • Cookies

Powered by Deedmob tools
Door op "Accepteren" te klikken, gaat u akkoord met het opslaan van cookies op uw apparaat om de sitenavigatie te verbeteren en het sitegebruik te analyseren. Voor meer informatie, bekijk onze Privacyverklaring.

Post | april 2021 | Doe es gewoon vrijwillig | 2 min lezen

Marijcke vertelt verhalen in de Verteltuin

Er was eens, lang geleden, in een land hier ver vandaan, een wondertuin waar herinneringen veranderen in verhalen, en de vertellingen weer herinneringen worden. Hoewel, die tuin is hier niet ver vandaan, maar gewoon in Hem. En lang geleden is ook niet waar, de tuin bestaat in het hier en nu. ‘Voorlezen is heerlijk, waarom zou dat alleen voor kinderen zijn?’, vindt Marijcke Faas van de Verteltuin.


De kiem voor de Verteltuin werd gezaaid in de jeugd van Marijcke. ‘Ik herinner me dat ik werd voorgelezen, vroeger, als klein meisje. Een beeld van een bolderkar, een mannetje en de maan, meer weet ik niet van het verhaal. Maar het gevoel dat het voorlezen me gaf, staat me helder voor de geest. Ik voelde me gelukkig en geborgen, het voorlezen gaf me een gevoel van veiligheid. Zo ontstond het idee voor de Verteltuin: een plek waar volwassenen mooie verhalen krijgen voorgelezen.’


Voor grote mensen

Marijcke moest tegen de nodige vooroordelen opboksen toen ze het idee voor haar tuin ging delen. ‘Voorlezen? Dat is toch voor kleine kinderen? Maar mijn voorleesvoorstellingen zijn echt bedoeld voor grote mensen. Het is heerlijk om te worden voorgelezen, en waarom mogen alleen kinderen ervan genieten?’

Toegegeven: een vertelvoorstelling begint vaak met een kinderverhaal. Iets eenvoudigs, om er even in te komen. ‘Veel kinderverhalen zijn helemaal niet kinderachtig. Ik lees graag het verhaal voor van de uil die tranenthee gaat trekken. Dat verhaal vertelt me dat je een tijd verdrietig kunt zijn, maar dat je er ook voor kunt kiezen om daarna niet meer verdrietig te zijn.’ Daarna komen korte verhalen van Herman Pieter de Boer, Annie MG Schmidt of Guy de Maupassant aan de beurt, of andere schrijvers, afhankelijk van het publiek. Intuïtief weet Marijcke altijd de juiste verhalen uit te kiezen.


Natuur barst uit elkaar

De Verteltuin zit in een prachtige ronde kas, in een groot park achter het woonhuis van Marijcke, aan de Hemmerbuurt. De kersenboom bloeit, de walnotenboom bot uit, en bij het watertje gaan misschien ijsvogels broeden of jagen: de natuur barst er zo’n beetje uit z’n voegen. Het onderhoud van die anderhalve hectare natuur wordt helemaal gedaan door Marijcke, met behulp van vrijwilligers. Zo zijn de bestuursleden van de stichting vrijwilligers, net als de mensen die helpen bij het onderhoud van het park. ‘Door kleine subsidiepotjes en een initiatief als NLdoet kan ik toch af en toe planten kopen, of materialen om klussen in het park uit te voeren. Er is hier altijd van alles te doen. Nu zijn de hoge ramen van de kas toe aan een schoonmaakbeurt, maar dat kan ik niet alleen. Iemand moet de ladder even vasthouden, of erop durven balanceren!’


Stille tuin

Door de corona-maatregelen was het stil in de tuin, maar daar komt snel verandering in. ‘In mei kan ik weer op kleine schaal voorstellingen geven.’ Goed nieuws, want Marijcke heeft de mensen gemist. ‘Zo’n stille periode brengt van alles, maar ik ben blij als ik weer mijn verhalen en mijn verteltuin kan delen met mensen.’

Deel blogpost
Gerelateerde blogposts

Het Flessenscheepjesmuseum drijft op vrijwilligers

| Doe es gewoon vrijwillig

Wie het Flessenscheepjesmuseum in Enkhuizen binnen gaat, verdwijnt in de fantasiewereld van de minuscule maar levensechte schepen, die op een wonderbaarlijke manier in flessen zijn gevaren. Coördinator Marianne van Haandel: “Veel van onze vrijwilligers die hier werken hebben iets met scheepvaart of met modelbouw. Maar het contact met onze bezoekers vinden we allemaal het allerleukste.” De ene vitrinekast na de andere staat helemaal vol flessenscheepjes. Ruim 1.100 heeft het museum er in bezit, maar die zijn lang niet allemaal uitgestald in het kleine Spuihuisje, een historisch pandje uit de zestiende eeuw. “We maken wisselende tentoonstellingen,” vertelt coördinator Marianne. “Laatst hadden we allemaal schepen in het ijs uitgestald, een winters thema. En binnenkort hebben we een expositie van schepen zonder zeilen.” Hoe langer je door het kleine museum loopt, hoe meer je ziet. Een zeilschip in een fles, een middeleeuwse scheepswerf, een levensechte vijfmaster in een lange whiskyfles en een zeilbootje van nog geen centimeter in een piepklein flesje, het staat er allemaal. “De kleinste flessenscheepjes kun je alleen met een vergrootglas goed bekijken,” zegt Marianne. “We hebben bijvoorbeeld een scheepje in een miniatuurflesje waar oogdruppels in hebben gezeten, gemaakt door een oude Japanse modelbouwer. In de flesjes zaten eerst zijn medicijnen, daarna heeft hij er kunstwerkjes van gemaakt.” Eeuwenoude cadeaus Het bouwen van miniaturen in een fles is een eeuwenoude hobby. Marianne laat flessen zien waar religieuze taferelen in te zien zijn, want daar is het waarschijnlijk mee begonnen. “Die zijn gemaakt door monniken. Later gingen zeelui aan de slag met lege flessen en wat hout en doek. Als tijdens een lange zeetocht weinig wind stond, lagen ze soms dagen stil. Tja, wat moet je dan?” Het oudste scheepje in bezit van het museum is uit 1879, gemaakt door een jongen van veertien. “We krijgen flessenscheepjes vaak als donatie, bijvoorbeeld uit een erfenis of van mensen die nog flessenschepen maken. Als je ziet hoe gedetailleerd het allemaal is, kun je je voorstellen dat er maanden werk in kan zitten. Het is helaas een hobby die verdwijnt, mensen zijn druk met andere dingen.” Marianne maakt zelf ook flessenscheepjes, een paar van haar kunstwerken staan in het museum. “Ik hoorde dat er geen vrouwelijke flessenscheepjesbouwers waren,” zegt ze. “Dat kon ik niet op me laten zitten. Ik werk anders dan de mannen, ik doe het op mijn eigen manier en verwerk handwerktechnieken in de scheepjes. En zo heeft iedereen zijn eigen stijl.” Ook een paar vrijwilligers in het museum hebben wel iets met die scheepjes. Ze bouwen zelf, of ze verzamelen ze. “Momenteel hebben we een expositie met flessen van een medewerker. Hij maakt prachtige flessenscheepjes. Elk onderdeel maakt hij zelf, zelfs de bemanning in de schepen. En iemand anders wilde hier wel als vrijwilliger aan de slag, maar alleen als we zijn flessenscheepje in de collectie wilden opnemen. Graag zelfs, want het is een prachtig bootje!” Zomer vol bezoekers Het museum is vier dagen per week open. Vaker kan niet, want er zijn niet genoeg vrijwilligers. “Ik zou er best wat nieuwe mensen bij willen hebben”, vertelt Marianne. “In de zomer komen er soms wel veertig tot zestig bezoekers per dag. Dan vertellen we het verhaal over het Spuihuisje, waar we zijn gevestigd. En natuurlijk over de scheepjes. We kunnen laten zien hoe de scheepjes worden gemaakt en we kennen verhalen van de scheepjes in de tentoonstelling. Kinderen kunnen een speurtocht doen. De reacties van de bezoekers zijn het leukste van ons vak. De meeste mensen zijn verrast hoeveel hier te bekijken is.”
Lees meer

De jonge helden van Oorlogsmuseum Medemblik

| Doe es gewoon vrijwillig

Ze zijn 14 en 15 jaar oud, maar praten met opmerkelijke nuchterheid over oorlog, verantwoordelijkheid en techniek. In het Oorlogsmuseum Medemblik lopen jonge vrijwilligers Sil Tensen uit Wervershoof en Wessel van der Gragt uit Onderdijk rond alsof het hun tweede thuis is. Tussen legertrucks, pontonbruggen en een nagebouwd dorpswijkje uit de jaren veertig geven ze met aanstekelijk enthousiasme een rondleiding. “Hier konden onderduikers zich verstoppen", wijst Wessel. Redactie: Paul Luiken, NHD - Foto's: Marcel Rob De twee beste vrienden zitten op scholengemeenschap De Dijk in Medemblik. Via een maatschappelijke stage kwamen ze in november 2024 bij het museum terecht. Sil. “Er waren twee opties: het museumgedeelte of de werkplaats. Wij vroegen of we ze allebei mochten doen.” Dat mocht. “De stage was eigenlijk zo voorbij,” zegt Wessel. “We wilden graag blijven.” Ze begonnen met schoonmaken en eenvoudige klussen, maar al snel bleek hun technische interesse. Motoren, ontstekingen; alles wat groot is en kracht heeft, trekt de mannen. Inmiddels draaien ze volop mee in het onderhoud van de historische voertuigen. In de werkplaats staan legertrucks die de WOII nog hebben meegemaakt. “De meeste zijn 82 jaar of nog ouder", zegt Sil. “Wij zorgen dat ze blijven rijden. Assen doorsmeren, onderdelen nalopen, banden controleren. Je leert hoe zo’n motor in elkaar zit. Alles is overzichtelijk. Geen elektronica, geen sensoren. Je ziet het motorblok gewoon liggen.” Wessel knikt. “Als je bij een moderne auto de motorkap opendoet, zie je alleen maar plastic kappen en kabels. Hier is het puur mechaniek.” Dat sleutelen geeft voldoening. “Als je iets repareert en het doet het weer, dat is het mooiste wat er is", zegt Wessel. “Dan bewijs je jezelf. Wat we zelf het mooist vinden? Meerijden! Dan laat je zien dat het gelukt is een oud voertuig op de weg te houden.” Sil vult aan: “Dat is vreugde!” Oorlogsboeken Toch draait hun betrokkenheid niet alleen om techniek. De interesse in oorlog is er al langer. “Ik vond het altijd al interessant", zegt Wessel zorgvuldig. “Niet dat ik het leuk vind, maar het trok me. Waarom doen mensen zoiets? Waarom schieten ze elkaar dood?” Hij leest veel oorlogsboeken en kijkt documentaires. “Wat je ziet, is echt gebeurd. Dat maakt indruk. Je denkt: we zijn toch allemaal mensen?” Sil vult aan: “Wat bereik je ermee? Dat vraag ik me altijd af.” De gruwelen van bijvoorbeeld Auschwitz laten hen niet onberoerd. “Het is bizar", zegt Wessel. “Maar je moet ervan leren. Zodat het niet nog een keer gebeurt.” Ze beseffen ook hoe gemakkelijk je achteraf stoer kunt praten over verzet of heldendaden. “Je kunt wel zeggen dat je in het verzet zou gaan,' zegt Sil, “maar de gevaren waren ongekend groot.” Pontonbrug In het museum komt die geschiedenis dichtbij. Niet alleen in verhalen, maar ook in materieel. Zo helpen ze bij het onderhoud van een pontonbrug. Tijdens evenementen wordt die daadwerkelijk opgebouwd. “Dan zie je hoe het in de praktijk werkte", zegt Sil. De begeleiding noemen ze 'fantastisch!' De oprichter van het museum loopt nog altijd rond in de werkplaats en stuurt bij waar nodig. Ook andere begeleiders nemen de tijd om uitleg te geven. “Je begint met kleine dingen", zegt Sil. “Schoonmaken, onderdelen monteren. En uiteindelijk werk je aan motoren." Wessel: “Jong geleerd is oud gedaan”. Ze voelen zich serieus genomen. “Je hoort erbij. Het is dan wel vrijwilligerswerk, maar het is eigenlijk meer een hobby geworden.” Legertruck besturen Naast hun inzet in het museum hebben beide jongens nog bijbanen. Wessel werkt in de bollenteelt en bij zijn oom in de pioenen. Sil is actief bij een mechanisatiebedrijf. Toch maken ze tijd vrij voor het museum. “We vinden het gewoon schitterend", zegt Wessel. Wat ze nog graag willen? Sil hoeft niet lang na te denken: “Zelf rijden.” Een legertruck besturen lijkt hem het hoogtepunt. Wessel lacht: “Dan moeten we eerst ons rijbewijs halen. En ook nog een vrachtwagenrijbewijs.” Ze nemen ruim de tijd voor de rondleiding en poseren graag tussen de legertrucs. In een tijd waarin oorlog soms akelig dichtbij komt via het nieuws laten twee Westfriese tieners zien dat ook met je handen kunt herdenken. Door te sleutelen aan rijdend erfgoed houden ze verhalen levend.
Lees meer

Reddingstation Wijdenes heeft hulp nodig

| Doe es gewoon vrijwillig

Niet alle vrijwilligers van het Reddingstation in Wijdenes hebben zeebenen. Een groot deel van de ploeg blijft aan wal, en ook daar is het vaak alle hens aan dek. Coördinator Mark weet er alles van. “We zijn bezig met een eigen onderkomen. Dat biedt kansen, maar alleen als we er samen de schouders onder zetten.” Stoere mannen en vrouwen die mensen helpen die op het water in moeilijkheden zijn geraakt. Dat is het werk van het Reddingstation in Wijdenes, vertelt Mark, al jaren vrijwilliger. “Alles wat op het land gebeurt, gebeurt ook op het water”, vertelt hij. “Brandje aan boord, technische problemen, mensen overboord, noem het maar op. De laatste jaren zien we ook, net als andere hulpverleners, meer verwarde mensen die hulp nodig hebben. Als wij worden opgeroepen, springen we in de boot en gaan we ze helpen.” Zeven dagen in de week, 365 dagen per jaar, is het Reddingstation Wijdenes paraat. Het afgelopen jaar was het team meer dan twintig keer nodig om mensen (en dieren) te helpen. En die hulp kan van alles zijn. Mark: “In november kwamen we in actie toen een kitesurfer in de problemen kwam. En in januari werden we gebeld voor een bootje dat de weg naar de haven niet meer kon vinden. De bemanning had technische problemen en ze hadden het hartstikke koud door het winterse weer.” Droge voeten Twee keer per week wordt er getraind door de vrijwilligers die werken als schipper of opstapper op de reddingsboten, om ervoor te zorgen dat iedereen fit en scherp is als er een oproep is. Maar een groep vrijwilligers houdt droge voeten. Die klussen bijvoorbeeld in het toekomstige onderkomen, ondersteunen de administratie, zorgen voor de website en de social media, of helpen bij evenementen. “De laatste jaren hebben we daar te weinig tijd voor vrij kunnen maken”, legt Mark uit. “Het zou heel fijn zijn als we meer mensen kunnen aantrekken die het verhaal van ons Reddingstation kunnen vertellen, bijvoorbeeld op evenementen.” Ook zijn er lokaal en regionaal evenementen waar de organisatie zich wil laten zien, zoals de Waterweken of de jaarmarkten in de buurt. “Het zou mooi zijn als we daar alles kunnen vertellen over ons werk, bijvoorbeeld door demonstraties te geven.” Sponsor, bedankt Financieel houdt het Reddingstation z’n eigen broek op, met maar een kleine subsidie van de gemeente. Dat lukt dankzij grote en kleinere sponsoren, die de middelen op tafel leggen. Reden genoeg om die eens in het zonnetje te zetten, zegt Mark. “We willen ze graag elk jaar een leuke dag bezorgen om ze te bedanken voor hun ondersteuning. En daar kan ik wel wat hulp bij gebruiken. Als ik het voor het zeggen heb, dan zou ik het fijn vinden om samen te werken met een vrijwilliger met een achtergrond in het bedrijfsleven, om de banden met ons zakelijk netwerk nog steviger aan te halen.” Lijkt het je wat, vrijwilligerswerk voor het Reddingstation Wijdenes? Mark weet wel waarom zijn club graag tijd besteedt aan het Reddingstation. Niet alleen vanwege de spannende avonturen, maar ook door de samenwerking in de gezellige ploeg. “We zien mensen van alle leeftijden en achtergronden samenwerken, dat is mooi. Ons bestuur is sinds kort weer op volle sterkte, de vereniging loopt goed. Extra vrijwilligers zijn altijd welkom. Wie schiet ons te hulp?” Word noodhulpvrijwilliger Wil je vrijwilliger worden bij Reddingstation Wijdenes, of wil je ergens anders 'noodhulp vrijwilliger' worden? Check dan deze pagina en vind alle vacatures bij elkaar, en lees verhalen van andere noodhulp vrijwilligers!
Lees meer